Van D-day tot Parijs

Nadat de geallieerden zich in 1941 verenigden was het duidelijk dat men Europa zou moeten aanvallen wou men Hitler verslagen. Op 19 augustus 1942 ondernamen de geallieerden een eerste poging om het Europese vasteland te bestormen. Zesduizend Britse en Canadese troepen voerden een amfibische landing uit in het Franse havenstadje Dieppe. Van deze zesduizend soldaten zijn er meer dan drieduizend gesneuveld. De geallieerden trokken zich al snel terug. Hoewel deze operatie een complete mislukking was, werden er toch enkele belangrijke lessen geleerd voor toekomstige landingen. De eerste succesvolle geallieerde landingen in vijandig gebied waren de landingen in Noord-Afrika in 1943. Deze werden al snel gevolgd door de landingen in Sicilië en Italië. Het geallieerde opperbevel was in 1942 echter al begonnen met het plannen van een grootscheepse landingsoperatie in West-Europa. Deze landing kreeg de naam ‘Operatie Overlord’ en zou de grootste amfibische- en luchtlandingsoperatie worden uit de geschiedenis. De Amerikaanse generaal Eisenhower kreeg de algemene leiding over deze operatie. Hij werd bijgestaan door de Britse veldmaarschalk Montgomery (die het bevel voerde over de grondtroepen), door admiraal Ramsay (die de marine aanvoerde) en door de luchtmachtgeneraal Leigh-Mallory.

 

Samen stelden zij een aanvalsplan op. De landingen zouden plaatsvinden in de Franse kuststreek van Normandië. Hier werden 5 stranden gekozen waar de invasie zou plaatsvinden. De Amerikanen zouden op de stranden ‘Omaha’ en ‘Utah’ landen, terwijl de Britten en Canadezen hetzelfde zouden doen op de stranden met de codenaam ‘Sword’, ‘Gold’ en ‘Juno’. De landingen vanuit zee zouden voorafgegaan worden door Amerikaanse en Britse luchtlandingen achter de Duitse linies. Voor en tijdens de landingen zouden geallieerde bommenwerpers de Duitse verdedigers constant bombarderen. Tijdens de voorbereidingen werden nooit geziene hoeveelheden materieel en manschappen van Amerika naar Engeland worden gebracht. Hier werden de soldaten getraind voor de invasie. Gedurende de voorbereidingen werden de Duitsers steeds misleid over de plaats waar de invasie nu ging plaatsvinden. Zo werden er fictieve legereenheden in het oosten en noorden van Engeland gestationeerd om de indruk te geven dat de geallieerde landing zou plaatsvinden in Pas-de-Calais. Dit zou een reële mogelijkheid geweest zijn omdat de afstand tussen Engeland en Frankrijk in Pas-de-Calais het kortste is. Om de misleiding nog groter te maken werden valse radioberichten verstuurd die opgevangen werden door de Duitsers. Er werden zelfs opblaasbare tanks en nep vliegtuigen en voertuigen uit hout in het noordoosten van Engeland gezet om de illusie compleet te maken. Nu was het wachten op goed weer. Eisenhower had een volle maan, voor de vliegtuigen, en springtij voor de landingsvaartuigen nodig. Hij moest de landingen verschillende keren uitstellen. Op 6 juni voorspelde men iets beter weer. Eisenhower waagde een gok en zou de landingen op dinsdag 6 juni 1944 laten uitvoeren. Hij wist dat dit riskant was. Als de landing op deze datum niet werd uitgevoerd moest Eisenhower weken, misschien zelfs maanden wachten op een nieuwe kans. In de nacht van 5 op 6 juni 1944 vertokken de geallieerde schepen en vliegtuigen richting Frankrijk. Nu was er geen weg meer terug. De Duitsers wisten nog steeds van niets. Maar zij hadden het op die moment veel te druk met hun oorlog aan het oostfront. Dat was te merken aan hun situatie in Frankrijk. De Duitse troepen in Frankrijk hadden een tekort aan motortransport en moesten zich veelal redden met paarden en fietsen. De soldaten hadden maar weinig munitie en brandstof omdat geallieerde bommenwerpers al maanden aan een stuk Frankrijk bombardeerde en zo de Duitse aanvoerlijnen ernstig hadden beschadigd. Op luchtsteun konden ze niet rekenen omdat het merendeel van de Luftwaffe in Rusland zat. Vele Duitse eenheden in Frankrijk kwamen net terug van het oostfront om op adem te komen waardoor hun moreel laag was. De Duitsers hadden echter wel een sterke verdedigingslinie: de Atlantikwall. Deze bestond uit bunkers, strandobstakels, mijnenvelden, kanonnen en mitrailleurnesten. Deze werden in 1944 nogmaals versterkt op bevel van veldmaarschalk Rommel. Ook waren er enkele SS Divisies in Frankrijk aanwezig. De SS (of Schutzstaffel) was oorspronkelijk gesticht als Hitler’s persoonlijke lijfwacht. Later richtte de SS een eigen leger op dat beschouwd werd als een elitestrijdkracht. Leden van de SS waren meedogenloos en werden na de oorlog veroordeeld voor vele oorlogsmisdaden. Daarbovenop beschikte het reguliere Duitse leger in Normandië over de gevreesde Tiger en Panther tanks en het uiterst doeltreffende 88 millimeter kanon. Het Duitse opperbevel was er nog steeds van overtuigd dat de geallieerde landing zou plaatsvinden in Pas-de-Calais. Het was dan ook een enorme verrassing voor de Duitse soldaten toen ze geallieerde schepen aan de horizon zagen verschijnen. Op het moment van de landingen lag Hitler te slapen en mocht hij niet gestoord worden. Toen ze hem wekten zei hij dat het slechte om een afleiding ging en dat de echte landing toch plaats zou vinden in Pas-de-Calais.

 

Het ging echter wel degelijk om de echte landing.’s Nachts waren de eerste geallieerde parachutisten reeds geland. De Britse 6de Airborne Division werd tussen de Orne en het Bois de Bavent gedropt om de oostelijke flank van de landingstroepen te beschermen. Een speciale eenheid moest de brug over het kanaal van Caen vernietigen. Langs deze brug, die de naam Pegasusbrug kreeg, konden de Duitsers rechtstreeks versterkingen naar de landingsstranden sturen. Zweefvliegtuigen landden op minder dan 50 meter van de brug waardoor de Britse para’s de brug binnen een kwartier in handen hadden. De Amerikanen zouden twee luchtlandingsdivisies sturen: de 101ste en 82ste Airborne Division. Zij werden boven het schiereiland Cotentin gedropt met als opdracht de westelijke flank van de invasietroepen te beschermen. De parachutisten werden verspreid gedropt waardoor het lang duurde voordat ze elkaar gevonden hadden. Ze bereikten echter de meeste van hun doelen. Het 82ste had Ste-Mère-Église ingenomen en het 101ste had de uitgangen van strand ‘Utah’ veilig gesteld en enkele bruggen in Carentan veroverd. Op de stranden waren ondertussen de eerste soldaten aan land gekomen. Op ‘Utah’ kwam de Amerikaanse 4de Infanteriedivisie zo’n twee kilometer zuidelijker aan land dan oorspronkelijk gepland. Voor de 23.500 soldaten was dit echter een meevaller omdat dit gebied veel minder zwaard werd verdedigd door de Duitsers. Op dit strand vielen hierdoor minder slachtoffers. De landingstroepen werden geleid door brigadegeneraal Roosevelt, de zoon van president Roosevelt. ’s Avonds waren zijn troepen al opgerukt tot aan de hoofdweg die naar Cherbourg leidde. Op ‘Omaha’ liep het niet zo van een leien dakje. De Duitsers hadden toevallig net versterking gestuurd naar de regio van ‘Omaha’, zonder dat de geallieerde planners hier iets van wisten. De 1ste Infanteriedivisie en een regiment van de 29ste Infanteriedivisie (samen zo’n 34.00 manschappen) kregen het hierdoor zwaar te verduren. De meeste tanks die de infanteristen moesten ondersteunen waren in de Noordzee gezonken en het merendeel van de artillerie was verloren gegaan. De Duitse verdedigers beschoten de kleine landingsvaartuigen met elk kanon en machinegeer dat ze hadden. Hierdoor sneuvelde bijna 50 procent van de soldaten die met de eerste aanvalsgolf op het strand kwamen. Ook veel genietroepen kwamen hierbij om. Dit was een zwaar verlies omdat deze genietroepen verantwoordelijk waren voor het verwijderen van obstakels, prikkeldraad en mijnenvelden op de landingsstranden. De eerste landingsgolf op ‘Omaha’ was een mislukking. Ondertussen waren enkele Amerikaanse torpedojagers (kleine oorlogsschepen) dicht tegen de kust genaderd om de tweede landingsgolf te dekken. Er werden nieuwe soldaten en genietroepen aan land gezet. Geleidelijk aan vochten zij zich een weg door de sterke Duitse verdediging. De 29ste Infanteriedivisie was er in geslaagd om een doorgang te forceren dichtbij Les Moulins. Op het einde van de dag hadden de soldaten die op ‘Omaha’ waren geland een klein gebied tussen St-Laurent en Colleville in handen. Het kostte hen echter 3000 manschappen. Op ‘Omaha’ vielen meer slachtoffers dan op alle andere landingsstranden samen. De Britten brachten het er iets beter vanaf. Op ‘Gold’ landde 25.000 manschappen van de 50ste Divisie. De soldaten van deze divisie waren extra gemotiveerd omdat zij in 1940 al in Frankrijk hadden gevochten en moesten vluchten via Duinkerken. Ze waren terug om de Duitsers een koekje van eigen deeg te geven. Tijdens de landing pakten de Britten het anders aan dan de Amerikanen. Zij hadden eerst speciale voertuigen aan land gebracht om de obstakels op het strand uit de weg te ruimen. Dit waren aangepaste Sherman en Churchill tanks die mijnen konden ruimen en bruggen konden leggen. Sommige van deze tanks, die bekend staan onder de naam Hobart’s Funnies, konden zelfs varen dankzij een opblaasbaar canvas scherm. Omdat het strand snel werd vrijgemaakt, konden de soldaten van de 50ste Divisie snel oprukken. Om 8.30 uur was de hele divisie geland met een verlies van 400 soldaten. Tegen de avond hadden ze de stad Arromanches ingenomen en Bayeux werd de volgende dag veroverd. De 21.000 soldaten van de 3de Canadese Divisie landde op het strand ‘Juno’. Zij landden iets later dan gepland waardoor het water hoger stond. Dit maakte het moeilijker om de gevaarlijke Duitse obstakels in zee te zien. De Canadezen verloren 70 van hun 306 landingsvaartuigen omdat zij tegen de obstakels waren gevaren. Ook ‘Juno’ werd vrij gemaakt door speciale tanks. De landing op dit strand verliepen aanvankelijk vlot. De Canadese soldaten ondervonden pas tegenstand toen ze dorpjes achter het strand introkken. De Duitsers verdedigden Courseulles hardnekkig en konden pas in de namiddag verdreven worden door Britse tanks die de Canadezen te hulp gekomen waren. Hoewel de Canadezen bij Bernières en St-Aubin lang werden tegengehouden, sloten zij hun flank aan met die van de Britse 50ste Divisie op ‘Gold’. Ongeveer 1000 Canadese soldaten kwamen om of waren zwaar gewond. Er was echter nog geen aansluiting met ‘Sword’. ‘Sword’ was het meest oostelijke invasiestrand. Hier zouden 29.000 soldaten van de Britse 3de Divisie landen. Hun doel was om Caen, de belangrijkste stad in Normandië, te veroveren en daarna contact te maken met de Britse 6de Airborne Divisie. Omdat er zo veel rotsen in zee lagen, moesten de landingsboten hier achter elkaar varen en hun eenheden één na één afzetten. Hierdoor ontstonden er al snel opstoppingen wat de landing vertraagde. Op ‘Sword’ ondervonden de Britten geringe Duitse tegenstand. De 1ste Speciale Brigade had zelfs hun doedelzakspeler meegebracht die gedurende de hele landing, hoewel hij constant onder vuur lag van de Duitsers, onverschrokken op zijn instrument speelde. De eerste Britse tanks die aan land kwamen schakelden de Duitse verdediging snel uit. De Britten rukten op tot aan Lebisey, wat op vijf kilometer van Caen lag. Ze werden echter tegengehouden door de Duitse 21ste Pantserdivisie. Ongeveer 630 soldaten sneuvelden op ‘Sword’.

 

Ondanks dat Caen niet werd veroverd en dat de Amerikanen op ‘Omaha’ zware verliezen leden, was D-day een succes. Op de eerste dag van de invasie waren 130.000 geallieerde soldaten op de Franse stranden geland. In de daaropvolgende dagen werden de Duitsers teruggedreven en konden de Amerikanen, Britten en Canadezen hergroeperen. Men kon nu een stevig bruggenhoofd opbouwen om nieuwe voorraden en versterkingen van Engeland laten over te komen. Veldmaarschalk Montgomery gaf het bevel om Caen via Villers-Bocage in de flank aan te vallen. Het landschap in deze streek was echter in het voordeel van de verdedigende Duitsers. Het heuvelachtige terrein had veel laag gelegen wegen, diepe grachten en dikke heggen. De Britse infanteristen moesten het ene huis na het andere veroveren, vaak met dodelijke man-tegen-man gevechten. Om de opmars te versnellen bracht de Britse 7de Gepantserde Divisie haar tanks in stelling. Toen ze richting Caen reden, werden ze plots verrast door een Duitse Tiger tank van het 101ste SS Panzer bataljon. De bevelvoerder van de tank was Michael Wittman. Hij schakelde onmiddellijk de achterste Britse tank uit. Daarna reed hij richting Villers-Bocage waar hij enkele transportvoertuigen van de Britten vernietigde. Hij draaide naar het oosten en reed richting het centrum van de stad. Hier hadden de Britten hun tanks teruggebracht om Wittman te stoppen. Zijn krachtige Tiger tank was echter te sterk voor de Britten. Hoewel Wittman’s tank meerdere malen geraakt werd, vernietigde hij hier nog enkele Britse tanks. Omdat hij dreigde ingesloten te worden, trok hij zich terug. Net voordat hij het centrum zou verlaten werd zijn tank geraakt door een Brits antitank-kanon. Wittman en zijn bemanning overleefde de explosie en liepen terug naar de Duitse linies. Hij vernietigde in minder dan vijftien minuten 12 Britse tanks, 14 transportvoertuigen en 2 kanonnen en kreeg hiervoor een onderscheiding. De Duitsers voerde een krachtige tegenaanval uit en verdreven de Britten uit Villers-Bocage. De pogingen van de Britten om te stad te heroveren mislukten keer op keer. Daarom werd besloten om Villers-Bocage te bombarderen. Britse bommenwerpers dropten 2.800 ton bommen en maakten de stad met de grond gelijk. Op 4 augustus 1944 veroverde de Britse 50ste Divisie de stad.

 

Caen onderging hetzelfde lot als Villers-Bocage. De stad veranderde dankzij de bombardementen in één grote ruïne maar werd enkele dagen later veroverd door de Britten. De geallieerden waren erin geslaagd om een algemene terugtrekking van het Duitse leger te forceren. Belangrijke strategische steden zoals Carentan, Cherbourg, Brest, Le Havre, Saint-Lô en Falaise kwamen allemaal in geallieerde handen. Parijs was het volgende doelwit. Het originele plan was om de Franse hoofdstad te omsingelen. Het Franse verzet in Parijs kwam echter al vroeger in actie. Zij gingen de strijd aan met de Duitse soldaten en slaagden erin om het stadhuis te bezetten. Hierna kreeg de Franse generaal Leclerc, die onder Amerikaanse bevel stond, de opdracht om met zijn 2de Gepantserde Divisie Parijs binnen te trekken en het verzet te helpen. Er ontstonden felle gevechten waarbij de Duitsers de barricades van het verzet probeerden te doorbreken. Toen het Vrije Franse leger in Parijs aankwam, werd de overmacht voor de Duitsers te groot. De Duitse generaal von Choltitz gaf de stad op 25 augustus 1944 over aan de geallieerden. Hij negeerde hiermee het directe bevel van Hitler om Parijs plat te branden. De volgende dag werd er een grote overwinningsparade gehouden op de Champs-Élysées. Vanaf de verovering van Parijs werden de Duitsers geleidelijk aan uit Frankrijk verdreven. In het oosten had het Rode Leger de Duitsers op de vlucht geslagen. Er restte de geallieerden nog maar één ding: Berlijn veroveren en een einde maken aan de Tweede Wereldoorlog. Om dit proces te versnellen wou men de Duitse Siegfriedlinie omzeilen. Daarom werd een massale luchtlandingsoperatie boven Nederlands gepland: Operatie Market Garden. Het doel van deze operatie was om de bruggen over de Maas, de Waal en de Rijn te veroveren. Als men deze bruggen in handen had, was het voor de geallieerden mogelijk om de Siegfriedlinie te omzeilen en zo Duitsland via het noordwesten binnen te vallen. Wanneer dit lukte kon men het Ruhrgebied, het belangrijkste Duitse industriële gebied, vernietigen en zo de Duitse oorlogsindustrie lam leggen. Voor Market Garden, de grootste luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis, werden 85.000 parachutisten van de Amerikaanse 82ste en 101ste Airbrone Division en de Britse 1ste Airborne Division ingezet. Aanvankelijk leek de operatie een succes te worden. De eerste parachutisten die geland waren ondervonden nauwelijks tegenstand en de bruggen tussen Eindhoven en Nijmegen werden veroverd. Toen deze operatie gepland werd, dacht men dat de Duitse soldaten in Nederland van een lagere klasse waren (oude, gewonde of herstellende soldaten). In werkelijkheid waren deze soldaten gevechtsklaar met veel voorraden en wapens. Er waren zelfs eenheden van de SS met zware tanks aanwezig. Eenmaal de Duitsers van hun verbazing waren bekomen, sloegen ze hard terug en brachten ze de geallieerden zware verliezen toe. In Arnhem slaagt men er niet in om de brug over de Rijn te veroveren. Hierna werden de aanwezige geallieerde troepen omsingeld. Al snel komen ze zonder munitie te zitten. Zij die kunnen ontsnappen, de rest wordt gevangen genomen. De geallieerden verliezen maar liefst 18.000 soldaten. Hiermee kwam Operatie Market Garden tot een teleurstellend einde. Men ging op zoek naar een andere weg om Duitsland binnen te vallen. Als vergelding hadden de Duitsers de voedselbevoorrading naar Nederland afgesloten. Hierdoor stierven in de winter van 1944 maar liefst 20.000 Nederlanders van honger en koude. Het zou tot maart 1945 duren voordat de bruggen werden heroverd en tot mei 1945 voordat Nederland bevrijd zou worden.