Middellandse zeegebied en de Balkan
Zoals Hitler een rijk in Midden-Europa had opgebouwd, wou Mussolini hetzelfde doen in Zuid-Europa. Zijn plan was om de glorie van het vroegere Romeinse keizerrijk en het Mare Nostrum te herstellen. In maart 1939 viel hij Albanië binnen dat zich al gauw moest overgeven. Zijn volgend doelwit was Griekenland. Dit land kreeg echter steun van Engeland en het gecombineerde Grieks-Britse leger bleek veel te sterk te zijn voor de Italianen. De Grieken dreven de Italianen terug en rukten tot ver in Albanië op. Ondertussen had Hitler Roemenië, Hongarije, Slowakije Joegoslavië en Bulgarije kunnen overtuigen, zij het soms met geweld, om zich aan te sluiten bij het Driemogendhedenpact. Een diplomatiek offensief van de Britten kon deze aansluiting niet verhinderen. Alle aandacht ging nu naar Griekenland, het enige land dat verzet bood tegen Duitsland. Het Griekse leger had twee grote verdedigingslinies opgezet in Macedonië: de Metaxas en de Aliakmon-linie. Het doel van deze linies was om de Duitse en Italiaanse troepen in Macedonië, dat als buffer diende, tot staan te brengen. De Duitsers gebruiken echter hun gevreesde ‘Blitzkrieg’ tactiek opnieuw waardoor de Metaxas-linie al snel werd overrompeld. De Grieken en Britten trokken zich terug naar de Aliakmon-linie. Op 20 april 1941 kwam het Griekse legere in de val te zitten en begonnen de Britten zich terug te trekken. Duitse parachutisten veroverden de havenstad Thermopylae en op 27 april 1941 viel de Griekse hoofdstad Athene in Duitse handen. De Britse troepen hergroepeerden zich op het eiland Kreta.
Kreta was het laatste bolwerk van de Britten en vormde dan ook een belangrijk doelwit voor Hitler. De Duitse generaal Kurt Student kwam met het plan om Kreta in te nemen met luchtlandingstroepen. Omdat de Britse Royal Air Force op Kreta slechts over 25 jachtvliegtuigen beschikte, was de Duitse Luftwaffe heer en meester in de lucht en was het dus mogelijk om zo een operatie uit te voeren. De Britse grondtroepen waren echter met meer soldaten dan de Duitsers, maar zij hadden veel wapens en kanonnen in Griekenland moeten achterlaten tijdens hun evacuatie. Op 20 mei werden de eerste Duitse parachutisten gedropt. Zij kregen steun van soldaten die met zweefvliegtuigen waren geland. Aanvankelijk leden de Duitsers zware verliezen. Ze hadden de Britten onderschat en veel van hun transportvliegtuigen werden door Brits luchtafweergeschut neergehaald. De Duitse parachutisten konden echter het vliegveld van Maleme veroveren waardoor ze versterkingen en nieuwe voorraden konden laten aanvoeren. Hierna beval de Britse generaal Freyberg om een tegenaanval uit te voeren. Deze had echter desastreuze gevolgen voor de Britten waarna ze de aftocht bliezen. De Britse soldaten werden geëvacueerd door de Royal Navy en op 1 juni 1941 was gans Kreta in Duitse handen.
De heerschappij van de asmogendheden in het Middellandse Zeegebied was echter maar van korte duur. Nog voor het einde van de Tunesische campagne was het geallieerde opperbevel al plannen aan het maken voor een invasie van Italië. Voor deze invasie had men echter een sterk bruggenhoofd nodig. Daarom werd besloten om het Italiaanse eiland Sicilië in te nemen. De verovering van Sicilië kreeg de codenaam ‘Operatie Husky’ en werd uitgevoerd door Amerikaanse en Britse soldaten. In de nacht van 9 op 10 juli 1943 vertrokken Amerikaanse transporttoestellen vanaf Malta en Tunesië en werden de eerste parachutisten van de 82ste Luchtlandingsdivisie gedropt. Zij kregen de opdracht om enkele belangrijke kruispunten en vliegvelden te veroveren. Hun transportvliegtuigen werden echter door een sterke wind uit koers geblazen. Vele parachutisten kwamen hierdoor op de verkeerde plek neer. Ook de Britse zweefvliegtuigen kampten met hetzelfde probleem. Enkele van hen kwamen zelfs in de Middellandse Zee terecht. Hoewel de luchtlandingstroepen verspreid waren, vielen zij met kleine groepjes de Duitse en Italiaanse troepen aan. Dit vergrootte de verwarring waardoor de Duitsers slecht konden inschatten hoeveel parachutisten er nu geland waren. De amfibische landingen volgden in de vroege ochtend van 10 juli 1943. Op een 170 kilometer brede kuststrook werden op 1 dag maar liefst 170.000 geallieerde soldaten aan land gezet. De Amerikanen, onder leiding van generaal Patton, bestormden de zuidkust van Sicilië terwijl de Britten de oostkust voor hun rekening namen. De kust werd bewaakt door enkele slecht getrainde Italiaanse divisies. Deze werden al gauw door de geallieerde verjaagd. De Duitse generaal Hube stuurde dan zijn zware tanks, waaronder de gevreesde Tiger tank, en infanterie-eenheden naar de landingsstranden. Deze brachten de geallieerden enkele zware verliezen toe totdat zij op hun beurt werden verjaagd door de kanonnen van Amerikaanse schepen. Hierna was de weg vrij om Sicilië in te nemen.
Generaal Montgomery kreeg de eer om het eiland te veroveren terwijl zijn flanken gedekt zouden worden door Patton’s leger. Dit was echter tegen de zin van Patton. Hij wou laten zien dat zijn soldaten klaar waren voor het gevecht. Hij negeerde zijn orders en boekte enorme terreinwinst onder het mom van ‘verkenningsopdrachten’. De Duitse en Italiaanse troepen werden teruggedrongen tot de hoofdstad Palermo. Het was nu een race tussen Patton en Montgomery om als eerste deze stad in te nemen. Met ongekende snelheid ruimde Patton’s leger de tegenstand uit de weg en op 23 juli 1943 werd Palermo door de Amerikanen ingenomen. Ondertussen zaten de Britten nog steeds vast ten zuiden van Messina. Patton trok naar het oosten van het eiland om Montgomery te helpen. Op 17 augustus 1943 was Sicilië volledig in geallieerde handen. Operatie Husky was de eerste succesvolle geallieerde landing op Europees grondgebied. Nu de Amerikanen en Britten voor de deur stonden, kregen de Italianen schrik. De meeste van hen waren oorlogsmoe en zagen geen nut in verder vechten. De Italiaanse koning Victor Emmanuel III gaf zich op 8 september 1943 over aan de geallieerden. Mussolini werd gearresteerd en veroordeeld tot huisarrest op de Gran Sasso berg. Hij werd echter door een speciaal Duits commando bevrijd en overgevlogen naar Duitsland. Hierop ontstond er een burgeroorlog in Italië waarbij Mussolini’s Partito Fascista Repubblicano weer met de Duitsers meevocht en de nieuwe regering onder maarschalk Pietro Badoglio zich bij de geallieerden voegden.
Nu de geallieerden Sicilië veroverd hadden, werd het Italiaanse vasteland het volgende doelwit. Op 3 september 1943 ging ‘Operatie Avalanche’, de invasie van Italië, van start. De Amerikanen gingen in Salerno aan wal, terwijl de Britten op de kusten van Taranto en Calabrië landden. De geallieerde opmars ging aanvankelijk vlot: de Amerikaanse generaal Clark veroverde op 1 oktober Napels en op dezelfde dag reed generaal Montgomery Foggia binnen. De geallieerden hergroepeerden nu voor een aanval op Rome. De Duitse generaal Albert Kesselring had echter een sterke verdedigingslinie laten bouwen ten zuiden van Rome. Deze Gustav-linie liep over de hele breedte van Italië en werd bemand door 15 Duitse divisies. Zowel de Amerikanen als de Britse troepen slaagden er niet in om door deze linie te breken. Hun opmars werd gehinderd door het ruige landschap, de intrede van het winterseizoen en de hardnekkige verdediging van de Duitse soldaten. De geallieerden ondervonden de meeste weerstand in het stadje Cassino. Op een heuvel in Cassino stond een abdij die volgens de geallieerden bezet werd door Duitse troepen. Deze abdij stond op een strategisch belangrijke plaats waardoor de Duitsers een goed overzicht over het slagveld hadden. In werkelijkheid was dit niet waar. Duitse parachutisten hadden zich op en rond de heuvel Monte Cassino verschanst en niet in de abdij zelf. Dit was hen uitdrukkelijk verboden door generaal Kesselring zelf. Op 17 januari 1944 bestormden de Amerikanen de heuvel. Zij werden met zware verliezen terug gedreven. Hierna was het de beurt aan de Britten ondersteund door Nieuw-Zeelanders, Polen en Indiërs. Ook deze aanval werd door de Duitse verdedigers teruggeslagen. Hierna werd de historische abdij door de Amerikaanse luchtmacht gebombardeerd. Het bombardement vernietigde de hele abdij. Generaal Kesselring gaf zijn parachutisten nu de toestemming om de ruines van de abdij te bezetten. Deze ruines waren een doolhof geworden zodat het voor de geallieerden nog moeilijker werd om de Duitsers te verjagen. In de eerste dagen van de aanval op Cassino werd het de geallieerden duidelijk dat het niet van een leien dakje ging lopen. Daarom bedachten ze een plan om de Gustav-linie te omzeilen en langs achteren aan te vallen. De Amerikaanse generaal Lucas zou met zijn troepen in Anzio een amfibische landing uitvoeren. Het plan was om via Anzio (dat enkele kilometers ten westen van de Gustav-linie lag) op te rukken naar Cassino en de abdij te omsingelen. De Amerikaanse troepen ondervonden weinig tegenstand tijdens hun landing, maar omwille van slechte communicatie met het opperbevel maakte Lucas geen gebruik van het verrassingseffect en stopte zijn opmars om een bruggenhoofd op te bouwen rond de haven van Anzio. Hierdoor kreeg generaal Kesselring de kans om versterkingen richting Anzio te sturen. Hitler dwong Rommel, die in Frankrijk zat, om twee van zijn divisies af te staan aan Kesselring. De troepen van Lucas slaagden ondanks de Duitse versterkingen erin om de Duitse bevoorradingslijnen naar Cassino af te snijden. De geallieerden openden nu een massaal offensief op het stadje en de abdij. De Duitse para’s raakten al snel door hun voorraden heen en moesten noodgedwongen de abdij verlaten. Op 18 mei 1944 werd het stadje Cassino en de abdij door de geallieerden veroverd. De geallieerden hadden nu de kans om het hele Duitse Tiende Leger, dat zich aan het terugtrekken was, te vernietigen. De Amerikaanse generaal Clark had echter andere plannen, hij wou als eerste de Italiaanse hoofdstad innemen. Daarom werd het volgende doelwit Rome. De Duitse generaal Kesselring zag in dat hij Rome niet kon verdedigen tegen de geallieerden en gaf zijn troepen de opdracht om de stad te verlaten.
Rome was in 1943 reeds tot ‘open stad’ verklaard. Dit betekende dat er in Rome niet gevochten mocht worden. Op 5 juni reed Clark triomfantelijk de stad binnen.
De volgende dag vonden de landingen in Normandië plaats. Hitler moest nu op drie fronten oorlog voeren: in West-Europa, in het Middellandse Zeegebied en in Rusland. Hij werd nu gedwongen om belangrijke reserves van het Oostfront te halen om de geallieerde opmars in West-Europa te stoppen. Dit was het moment voor de Russische dictator Stalin om een tegenaanval te organiseren en de Duitsers uit Rusland te verdrijven. Ook de divisies die Rommel moest afstaan voor het Italiaanse front werden nu zwaar gemist in Frankrijk. Italië werd nu een secundair front. De Amerikaanse en Britse opmars in Italië werd opnieuw vertraagd door slecht weer en het ruige landschap. Het Duitse Tiende Leger, dat Clark liet ontsnappen in Cassino, werd versterkt door het Veertiende Leger. Beide legers zouden de Gotische Linie, de laatste Duitse verdedigingslijn in Italië, bemannen en zo de geallieerden ophouden. Deze zouden halt houden ten zuiden van Bologna en wachten op het voorjaar van 1945 om hun opmars voort te zetten en de Duitsers definitief uit Italië te verdrijven. Op 2 mei 1945 werden de vijandelijkheden in Italië definitief stil gelegd.