De westelijke veldtocht

Na de verovering van Polen werd het stil in het westen van Europa. Verschillende Europese landen hadden reeds de oorlog aan elkaar verklaard meer niemand durfde de andere aan te vallen. Deze periode staat bekend als de ‘schemeroorlog’. De Duitse troepen namen hun stellingen in op de Siegfriedlinie. De Fransen deden hetzelfde aan hun kant van de grens op de Maginotlinie. De enige echte confrontaties vonden plaats op zee. Duitse U-boten (duikboten) slaagden erin om het Engelse vliegdekschip HMS Courageous en het Engelse slagschip HMS Royal Oak tot zinken te brengen. In december slaagden 3 schepen van de Royal Navy (Engelse marine) om het Duitse vestzakslagschip Graf Spee in de haven van Montevideo in te sluiten. De Graf Spee had bijna al haar munitie verschoten en was niet meer in staat om het gevecht met de Engelse schepen aan te gaan. Haar kapitein, Hans Langsdorff, besloot om zijn bemanning aan land te zetten en het schip zelf tot zinken te brengen zodat het niet in vijandige handen zou vallen. Sporadisch vonden er ook enkele gevechten plaats tussen Engelse en Duitse vliegtuigen boven de Engelse kust en Frankrijk.

 

Nu Hitler Polen in handen had, wou hij het Duitse Rijk in westelijke richting uitbreiden. België, Nederland, Luxemburg en Frankrijk kwamen nu in zijn vizier. Het plan om via Nederland en België de Maginotlinie (de sterke Franse verdedigingslijn) te omzeilen en Frankrijk aan te vallen, was gebaseerd op het Schlieffenplan uit 1914. Op 10 mei 1940 ging operatie Fall Gelb, de Duitse invasie van Frankrijk en de Lage Landen, van start. In de vroege ochtend vielen Duitse bommenwerpers en jachtvliegtuigen vliegvelden in Frankrijk, België en Nederland aan. Hiermee schond het de neutraliteit van België en Nederland en betrok het deze landen in de Tweede Wereldoorlog.

 

Boven Nederland werden Duitse parachutisten neergelaten met als doel het innemen van enkele belangrijke vliegvelden (Rotterdam en Den Haag) en het veilig stellen van de bruggen over het Wilhelminakanaal, de Maas en de IJssel. Deze bruggen wilden de Duitsers gebruiken om versterkingen aan te voeren tijdens hun aanval. De Nederlandse soldaten slaagden erin om enkele van deze bruggen op te blazen en de Duitse opmars te vertragen. Hun luchtafweergeschut schoot meer dan 100 Duitse vliegtuigen neer. Vele van deze vliegtuigen vervoerden Duitse parachutisten. De verdedigers werden echter overrompeld door het Duitse overwicht en waren genoodzaakt zich in zuidelijke richting terug te trekken. Het Duitse opperbevel wou het Nederlandse verzet definitief breken en besloot op 14 mei om Rotterdam te bombarderen. Duitse bommenwerpers dropten meer dan 95.000 kilo brandbommen en maakten Rotterdam met de grond gelijk. De brandweer kon de vlammen niet bedwingen waardoor 24.000 gebouwen werden vernietigd, 800 mensen omkwamen en bijna 80.000 Rotterdammers dakloos werden. Uit angst voor soortgelijke bombardementen capituleerde Nederland op 15 mei.

 

De Belgische luchtmacht werd op deze eerste dag van de invasie grotendeels vernietigd. Ondertussen drongen Duitse troepen en tanks via de Ardennen België binnen. Hier stootten zij op het Belgische fort Eben-Emael. Dit werd beschouwd als een onneembare vesting en was een doorn in het oog van Hitler.

 

Duitse parachutisten landde echter met zweefvliegtuigen bovenop het fort en schakelden het uit met holle ladingen (een krachtig, nieuw soort explosief).

 

Door het wegvallen van het fort lagen de bruggen over de Maas en het Albertkanaal voor het grijpen. Belgische bommenwerpers probeerden de bruggen te vernietigen maar werden door Duitse jachtvliegtuigen en luchtafweergeschut tegengehouden. Hoewel het Belgische leger dapper weerstand bood, werd het geleidelijk aan door de superieure Duitse troepen richting de Franse grens gedreven. Zelfs de komst van Franse en Engelse versterkingen konden niet verhinderen dat België capituleerde op 28 mei 1940.

 

Nu Hitler de Lage Landen controleerde, trad de tweede fase van zijn plan in werking. Deze fase kreeg de naam Fall Rot. De bedoeling was om onmiddellijk na de succesvolle afronding van Fall Gelb Frankrijk binnen te vallen langs België. Dit werd gedaan om de sterke Franse verdediging van de Maginotlinie te omzeilen. Eenmaal over de Franse grens zouden de Duitse troepen de Maginotlinie in de rug aanvallen. In tegenstelling tot wat men soms denkt waren het Franse en het Duitse leger aan elkaar gewaagd. Het Franse leger was (met Engelse en Belgische versterkingen) in de meerderheid. Het beschikte ook over meer tanks en kanonnen. De Franse luchtmacht was de enige op het Europese vasteland dat iets tegen de Duitse Luftwaffe kon aanvangen. Het Duitse wapenarsenaal (vooral haar luchtmacht) was echter moderner en werd beter ingezet dan dat van de geallieerden. Nadat de Duitse Legergroep B had afgerekend met België en Nederland, voegde het zich bij Legergroep A (dat doorgestoten was via de Ardennen). Beide legergroepen trokken daarna zuidwaarts en zette de aanval in op Frankrijk. Ze rekende af met alle geallieerde tegenaanvallen en dwongen hen om snel terug te trekken richting de Noordzee. Na twee weken van continue strijd kregen de Duitse tanks van generaal von Rundstedt te kampen met mechanische problemen. Hij beval om de opmars tijdelijk halt te houden. Ondertussen omsingelden zijn manschappen de geallieerden vanuit het zuiden en probeerden zij om Boulogne en Calais te veroveren om zo een eventuele Engelse evacuatie over zee te dwarsbomen. De twee havensteden vielen respectievelijk op 25 en 27 mei in Duitse handen. Paniek brak uit onder de geallieerde soldaten. De Franse generaal Weygand probeerde nog een laatste tegenaanval uit te voeren. Zelfs versterkingen bestaande uit Afrikaanse soldaten van de Franse kolonies konden de Duitse opmars niet stoppen. De geallieerde rechterflank viel op 25 mei 1940. Het grondgebied dat zij nog bezaten werd zo klein dat de Engelse opperbevelhebber van het Britse Expeditieleger, Lord Gort, besloot om zijn overgebleven manschappen te redden. Hij gaf het bevel om iedereen te evacueren vanuit de Franse havenstad Duinkerken.

 

De evacuatie van geallieerde soldaten vanuit Duinkerken kreeg de codenaam ‘Operatie Dynamo’ mee en ging op 26 mei 1940 van start. Aanvankelijk werd er gedacht dat er slechts een klein gedeelte van de soldaten zou gered kunnen worden. De Royal Navy (Engelse marine) trommelde al haar beschikbare schepen op. Deze stoomden in spoedtempo naar Duinkerken. Hier konden ze echter niet aanmeren omdat de Duitsers de haveninstallaties hadden vernietigd. Daardoor moesten de geallieerde soldaten door het water naar de schepen waden. De rest moest wachten op het strand tot het hun beurt was. Ondertussen bestookte de Luftwaffe de evacuatiestranden onophoudelijk. De Luftwaffe had hier vrij spel omdat de Engelse luchtmacht werd tegengehouden door de Duitse Messerschmitt jagers.

 

Omdat de evacuatie niet snel genoeg verliep, spoorde de Engelse regering eigenaars van boten en schepen aan om met hun vaartuigen te helpen bij de evacuatie. Vissersboten, plezierjachten, roeibootjes, zeilboten en zelfs de Londense blusboten schoten te hulp. Deze bonte verzameling van schepen kreeg later de naam ‘little ships’ mee. Samen redde de Royal Navy en de ‘little ships’ ongeveer 340.000 Engelse, Franse en Belgische soldaten van het strand in Duinkerken. Op 3 mei werden de laatste soldaten uit Duinkerken geëvacueerd. Hoewel het merendeel van de manschappen was gered, werden er meer dan 50.000 voertuigen en kannonen achtergelaten in Frankrijk. Deze werden in beslag genomen door de Duitsers om ze later te gebruiken tegen de geallieerden. Op 14 juni namen Duitse troepen Parijs in en op 22 juni gaven de Fransen zich uiteindelijk over. Hitler had nu het Europese vasteland in handen. Hij slaagde er in om na 6 weken Frankrijk, Nederland, België en Luxemburg te veroveren. De slag om Frankrijk is gedaan.

Ik verwacht dat de slag om Engeland gaat beginnen. Winston Churchill – Eerste minister van Engeland